De kernfunctie van een katrol is het veranderen van de trekrichting van een touw of kabel. Een katrol bestaat in basis uit een gegroefde (blok)schijf waar het touw omheen komt te liggen. Deze schijf draait om een as en wordt beschermd door de zogenaamde blokwangen, die samen komen in een haak of een oog. Met dit oog is het mogelijk om de katrol vast te maken.
Katrollen worden niet alleen gebruikt om materiaal op te hijsen, maar ook om personen op te takelen bij ‘rescue’ werkzaamheden.
Door katrollen in sets te gebruiken en zo de benodigde kracht te verdelen over de touwlengtes die zo gecreëerd worden, is het mogelijk om een zware last (materiaal of personen) met een beperkte kracht te verplaatsen.
Twee factoren bepalen het rendement van een katrol.
- De afmeting van de blokschijf: hoe groter de diameter van de blokschijf, hoe hoger het rendement.
- De steun van de blokschijf: zelfoliënde lagers verzekeren een goed rendement, maar ze moeten regelmatig onderhouden worden.
- De kogellagers verzekeren een uitstekend rendement en vragen geen enkel onderhoud.




